Gent ontstond aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde. De naam Gent zou afkomstig zijn van de Keltische waternaam Gond, verbasterd naar het Germaanse Gand, waarvan het Latijnse Gandavum is afgeleid.

 

Deze heidense nederzetting werd tijdens de Frankische periode (7de eeuw) gekerstend door de H. Bavo, die de Sint-Baafs-abdij stichtte en de H. Amandus, die op de Blandijnberg de Sint-Pietersabdij stichtte.

 

In 879 werden de geestelijken door de Vikingen uit die twee abdijen verdreven en de burgerlijke bevolking, die reeds eerder was verhuisd naar een hoger gelegen site gelegen aan de Schelde tussen de twee abdijen, bouwde daar (om zich te beschermen) een hoefijzervormige gracht met wal: een “Portus aan de Nederschelde”.

Hier ontstond dus het oude burgerlijke Gent: in wat nu onze buurt is.

 

De PORTUS, de oudste middeleeuwse versterkingen van Gent, dateert uit de 9de eeuw. De wijk in het vroegere Portusareaal kan dus bogen op een meer dan duizendjarige geschiedenissen mag zich terecht 'de oudste wijk van Gent noemen. De 'Genius loci' is in de Portuswijk heel sterk, want elke omgedraaide steen heeft er zijn verhaal.

 

De Kuip is het historisch hart van Gent. Tot de 13e eeuw was het omringd door een watergordel. Een gebied van 80 ha was in het NW begrensd door de Leie, in het NO door de Ottogracht, in het O de Schelde (Reep), in het Z de Ketelgracht en  in het W de Houtlei.

Ruim 200 jaar geleden deed Willem I op 5 september 1815 zijn Blijde Intrede in Gent. Het 15-jarig bewind van de Koning der Nederlanden was voor Gent een periode van sterke economische ontwikkeling en culturele ontplooiing.

 

Voor meer info willen we u graag verwijzen naar de webstek van de Stad Gent waar u een meer uitgebereide geschiedenis van de binnenstad van Gent kunt lezen.

De nederzetting noemen wij “Portus aan de Reep” (niet te verwarren met de jachthaven “Portus Ganda”): de Nederschelde werd immers (onder meer in openbare dossiers uit 1882-1886) ook “Reep” genoemd, van het Germaanse “Rippa” = rechte strook grond, veelal langs een water.

 

Ruim 200 jaar geleden deed Willem I op 5 september 1815 zijn Blijde Intrede in Gent. Het 15-jarig bewind van de Koning der Nederlanden was voor Gent een periode van sterke economische ontwikkeling en culturele ontplooiing.

 

 

Minister-President Geert Bourgeois spreekt rede uit bij onthulling WILLEM 1 van Oranje in Gent.  

Ook Gouverneur Balthazar geeft geschiedenisles over Willem 1 ter gelegenheid van de inhuldiging.

 

BELFORT

Aan de bouw van het huidige Belfort van Gent werd begonnen in het eerste kwart van de 14de eeuw, vermoedelijk voor 1314, jaar waaruit de eerste rekeningen van de bouw dateren. Een ontwerptekening bewaard in het Bijlokemuseum is hoogstwaarschijnlijk het originele plan uit de 14de eeuw van de hand van de meestermetser Jan van Haelst. In 1323 waren vier bouwlagen van de uit Doornikse kalksteen opgetrokken zes bouwlagen hoge toren klaar. In 1338 werd het metselwerk stop gezet. Van de bovenste geleding van de onvoltooide toren werden de waterspuwers, de beelden van de vier torenwachters en de grondslag van de vier hoektorens uitgevoerd in steen van Ecaussines. Tussen 1377 en 1380 werd een voorlopige houten torenbekroning opgetrokken; daarop werd in hetzelfde jaar de legendarische "Draak van Gent" gehesen. Deze windwijzer werd in 1377 vervaardigd van vergulde koperen platen. In de loop der eeuwen werd de torenspits herhaaldelijk hersteld of totaal vernieuwd, telkens aangepast aan de wisselende tijdssmaak.

Zo verkreeg de campanile in 1771 een punttorentje naar een ontwerp van architect Louis 't Kindt (het barokke ontwerp van Lieven Cruyl van 1684 werd nooit uitgevoerd); in 1851, na twaalf jaar lang zonder klokkentoren gesierd te zijn, verscheen de neogotische spits van gietijzer uitgevoerd naar ontwerp van architect Louis Roelandt. Deze ijzeren bekapping werd bij aanvang van de 20ste eeuw afgebroken en tussen 1911-1913 vervangen door de huidige stenen torenspits. De werken werden uitgevoerd onder leiding van Valentin Vaerwijck wiens plannen sterk geïnspireerd waren op het oorspronkelijk ontwerp uit de 14de eeuw.

Doordat de werken snel moesten gebeuren, bleken er achteraf vele gebreken te zijn, onder meer in de verbinding tussen de stenen romp en het nieuwe stenen klokkenhuis. De ingreep van de jaren 1911-1913 betrof de hele bovenste verdieping en de spits en leidde tot het huidig voorkomen. In 1967 en 1980 werden daarom restauratiewerken uitgevoerd.

Sinds 1936 is het beschermd als monument. Het belfort van Gent behoort samen met de Lak

Achtersikkel

De Achter-Sikkel.

Het schoonste hoekje van Gent ! Nergens vindt men zulk een afwisseling in kleur, in vorm, in lichtspeling ; nergens heeft het bij en op elkaar voegen van innig- religieuse vormen als toren en kapel met aristocratische als gaanderij, steenput en trapgevel een zoo diep treffend geheel gevormd.

 

"Grote- en Achtersikkel". Voormalig steen zogenaamd naar de patriciërsfamilie Van der Zickelen die in de 14de eeuw zowel het grote ensemble op de hoek van de Hoogpoort en de Biezekapelstraat bezaten als het steen uit de 13de eeuw, ernaast op de hoek van de Nederpolder zogenaamd "de Kleine Sikkel".

In 1531 werd het complex door erfenis in twee verdeeld: de Grote Sikkel (Hoogpoort) en de Achtersikkel (Biezekapelstraat). De Grote Sikkel werd als woning behouden en achtereenvolgens door belangrijke families bewoond. De Achtersikkel werd in 1573 gekocht door de abdij van Eename als refugiehuis en in 1797 als nationaal goed verkocht. Vanaf 1848 had de vrijmetselaarsloge er zijn zetel tot het hele complex, samen met het huis "de Zwarte Moor", einde 19de eeuw opgekocht werd door de stad, gerestaureerd tussen 1900 en 1908 door architect Van Hamme en ingericht als muziekconservatorium naar ontwerp van stadsarchitect Ch. Van Rysselberghe. De voorgevels in de Hoogpoort werden hersteld en de gebouwen van de Achtersikkel vrijgemaakt en gedecapeerd; hiervoor werd het zogenaamd "huis Goetghebuer" afgebroken en nieuwe vleugels in dezelfde stijl opgericht onder meer om de zijgevel van de K.N.S. te verbergen. Sporen onder de bepleistering teruggevonden maakten reconstructie in oorspronkelijke toestand mogelijk; gebruik van vernieuwd materiaal.

"De Achtersikkel" omvat verscheidene gebouwen uit verschillende perioden en uit verschillende materialen opgetrokken, ingeplant rondom een open pleintje, van de straat afgesloten door een ijzeren hek.

het oranje kantje van Gent

Ruim 200 jaar geleden deed Willem I op 5 september 1815 zijn Blijde Intrede in Gent. Het 15-jarig bewind van de Koning der Nederlanden was voor Gent een periode van sterke economische ontwikkeling en culturele ontplooiing.

Nederpolder                                                                                                 Zandberg                                                                              

Portus aan de Reep heeft er een nieuw straatje bij. Een nieuw oud straatje in feite. Het gaat om een steegje vlakbij de Sint-Baafskathedraal dat na meer dan 100 jaar opnieuw wordt open gemaakt.

Het eeuwenoude steegje tussen de Biezekapelstraat en de Nederpolder werd rond 1900 volgebouwd. Maar dankzij de restauratie van de Kleine Sikkel, wordt het weer in ere hersteld. Het steegje zou de oorspronkelijke Biezekapelstraat zijn, vroeger de Regnessestraat, een weggetje tussen de kapel en de Nederpolder. Eens de werken aan het Sint-Baafshuis zijn afgerond, zal de stad het steegje afwerken.

Hotel Vanden Meersche

Het moederklooster van de Zusters Kindsheid Jesu voorheen Hotel Vanden Meersche

Vandaag eigendom vd familie Michel Moortgat, die er er oa ook een distillery in uitbaat: DaDa Chapel

In 1360 stond op de hoek van Zandberg en Nederpolder de bekende herberg: De Pellicaen.

In 1547 laat Jan Daman de hoek afbreken en bouwt de laat-Gotische patriciërswoning, die de linkervleugel uitmaakt van het tegenwoordige gebouw.

 

 

 

 

 

In het prachtig gerestaureerde historische pand op de hoek van de Zandberg en de Nederpolder in Gent huist sinds kort distilleerderij Dada Chapel. Jonge, creatieve ondernemende geesten werken er samen met Michel Moortgat – CEO van brouwerijgroep Duvel Moortgat, voorzitter van Het Erfgoedfonds alsook kunst- en cultuurliefhebber – aan een uitzonderlijk project: Dada Chapel.

De stokerij is gevestigd in een prachtig gerestaureerd pand vol verhalen en met rijke geschiedenis. Het was ooit een herberg, vervolgens de thuis van adelijke families. Nadien namen de Zusters der kindsheids Jesu er op het eind van de 19de eeuw hun intrek en verzorgden er o.a. ooglijders. Nu is het gebouw weer klaar voor nieuwe avonturen.

HET HOTEL VANDEN MEERSCHE OF HET OOGLIJDERS- GESTICHT

Pierre Kluyskens schreef onderstaand artikel meer dan 65 jaar geleden:

Het groot gebouw op de hoek van de Nederpolder en de Zandberg, wiens gevel onlangs terug in zijn oorspronkelijke toestand werd hesteld, vertegen- woordigt, voor wie een paar ogenblikken bij zijn beschrijving en lotgevallen wil blijven stilstaan, een hele brok Gentse geschiedenis.

Verdeeld, vergroot, verminkt of gerestaureerd, verhuurd, verkocht of bezet, bewoond door kloosterzusters, edellieden, maatschappijen of kooplui. door vriend, vijand of vreemde overheerser, blootgesteld aan alle wisselvalligheden van kunst, smaak en stijl, nu eens symbool van rijkdom, weelde en zelfs uit- spattingen, dan weer van naastenliefde en offervaardigheid, heeft het ver- maarde “Pellicaen” welke na de meest diverse benamingen te hebben ontvan- gen, het Ooglijdersgesticht ís geworden, gedurende ruim zes eeuwen al het wel en het wee van onze stad gedeeld.

Wij vinden immers het gebouw reeds in 1360, ten tijde van Lodewijk van Male vernoemd.
Een paar jaren later zien wij dat het gebouw gesplitst wordt in de Grooten en de Cleenen Pellicaen.

Gedurende de XVe eeuw valt niets noemenswaardig aan te stippen: het is een gebouw, zoals er velen in de kuip van Gent bestaan, nu eens private woning, dan weer eens herberg tot ‘t rond het midden van de XVIe eeuw in bezit komt van de familie Damman, welke de linkervleugel laat optrekken en het tussen de jaren 1345 en 1558 het aspect van een rijke patriciërswoning verschaft. Geen wonder dan ook dat, wanneer ‘t gebouw te koop gesteld wordt, het een lid van de Raad van Vlaanderen, Pieter van Steelant, is die er eigenaar van wenst te worden,

De XVIIe eeuw zag het gebouwencomplex op de hoek van Nederpolder en Zandberg nog meer uitbreiding nemen door het afbreken van een paar aanpa- lende kleine huizen, zodat, wanneer het gebouw in handen kwam van de fami- lie du Faing, een der aanzienlijkste uit de streek, het bijna een prinselijk uit- zicht had.

Maar weldra veranderde het opnieuw van eigenaar toen Jean-Baptiste Vanden Meersche, heer van Berlare en Bareldonk, het in 1736 van Lambertina du Faing en haar echtgenoot voor de som van 3.603 pond aankocht. Jean-Baptiste Vanden Meersche zou de grote omvormer van het hoekgebouw worden, want onmiddellijk na de aankoop vangt hij de werken aan die verschillende jaren zouden duren. 

 

Hotel Van den Meersche - binnenplein.


Wij lezen in het Stadsarchief dat hij zich in 1738 tot de schepenen der Keure richtte om hen de toelating te vragen de gevel aan de zijde van de Nederpolder volledig om te bouwen: verthoont reverendelyck Jan Baptiste Ignace Vanden Meersche, heere van Beerlaere, proprietaris van eenen huyse stede ende erfve ghestaen ende ghelegen binnen dese stadt ten voorhoofde op de opperhoogh- poorte houdende den hoeck vanden Santbergh, dat hij den blinden muer bene- vens de poorte aldaer ter straete waerts staende, geerne soude afbreken ende van nieuws opmaeken in conformiteyte van de modelle ten desen annexe”. Het jaar daarop richt hij een nieuw verzoekschrift om “teynden den hof jeg- hens het straetjen aldaer, geerne soude doen ghebeuren eenighe verandering- hen tot commoditeyt ende cieraat vanden selven huyse in conformiteyte van de modelle ten desen ghevoegt”.

Gedurende gans de XVIIIe eeuw zou de familie Vanden Meersche zich inspan- nen om van haar hotel een der prachtigste woningen der stad te maken.

 

De Lodewijk XV-stijl vierde hoogtij in Frankrijk en was ook te Gent doorge- drongen, waar David ‘t Kindt en Bernard De Wilde het tot een ongemene bloei brachten door enkele gebouwen op te trekken als het Huis der Onvrije Schippers, het huidige Beursgebouw, de Vlaamse Academie, het hotel d’Hane Steenhuyse, Falligan, het huis Serlippens. enz., die allen 'bij de mooiste gebouwen onzer stad mogen gerangschikt worden.

 

Ook Vanden Meersche heeft in die stijl een middel gezien om aan zijn hotel een buitengewone luister te verschaffen. Wel is in die uitwendige constructie van het gebouw, met zijn te zware, dakvensters, zijn onharmonische puntge- vels en het algemeen aspect dat streng aandeed, zoals wij het tot voor een paar maanden zagen, niet heel gelukkig te noemen; daarentegen is de innerlijke versiering, zoals zij door de familie Vanden Meersche werd ingericht, veel gracieuzer en beter aan de geest van de stijl aangepast.

De gebouwen rondom de tuin met hun grillige en decoratieve versieringsmo- tieven, de lijn zelve der gebouwen, en niet het minst de enig mooie trapzaal, verraden de smaak en kunstzin van Jan-Baptiste en de voortzetters van zijn werk: Alexander-Augustijn en Emmanuel Vanden Meersche; Alexander voer- de eerst een paar veranderingen achteraan het gebouw in 1749 en kreeg op 22 Maart 1751 van de schepenen der Keure de toelating om de gevel te herstel- len “welcke twee ghevels (aan de kant van de Zandberg) door den laps van tijde gherot zijnde, vint hij hun suppliant ghenoodt sulks de selve te doen afbreken... ende de selve van nieuwe wederom op te bouwen. soo hij insge- lijcx sal moeten doen aende drij solder ofte dackvenster langs den cant vande Hooghpoorte ook door lanckijt van tijde gherot”

Een kwart eeuw later, in 1777, zou Emmanuel Vanden Meersche het huis van Wwe Christiaens op de Zandberg aankopen om het te “laeten afbreken en van nieuws opmaeken in conformiteyte van den ghevel daer nevens staende.” Met die laatste uitbreiding had het gebouw nu zijn definitieve afmetingen ver- worven, terwijl het inwendig een schitterende versiering had ontvangen: zware eikenhouten deuren (allen nog in Lodewijk XIV-stijl), prachtige wand- bekledingen en plafonds in Lodewijk XIV-stijl, rijke meubilering, tapijten, schilderijen en ingewerkte spiegels schonken aan de woning een stemming van weelde en kunstzin.

Het mooiste gedeelte ervan en tevens de meest artistieke, is ongetwijfeld de majestueuze trap, een der merkwaardigheden onzer stad, met de weelderige muurschilderijen van Heylbrouck (1764), de onderwereld, de aarde en de Olympus voorstellende.

In die harmonie tussen het sierlijk beeldhouwwerk, de gracieuze proporties en de kronkelende, fantasievolle arabesken van de trap en de kleurrijke orkestra- tie van het feeëriek decor van de muurbekleding vinden wij een prachtig bewijs van de manier waarop een vreemde stijl aan onze kunst aangepast kon worden; want het is een eigen stemming die geboren wordt uit dit gedempt licht, die stevige vorm en kleur van het schilderij dat warm en majestueus naar voren treedt en zo wondermooi de golvende lijn van de trapleuning tegemoet- komt.

Enig voorbeeld ook van de geestelijke identiteit bij een schepping waar- aan een architect, een beeldsnijder en een kunstschilder, in een zelfde gedach- te en met 'hetzelfde en gemeenschappelijk einddoel voor ogen, hun krachten hebben kunnen samenbundelen.

De inval door de Franse troepen in onze streek, zou tijdelijk een einde stellen aan het luisterrijk bestaan van het hotel Vanden Meersche, Emmanuel had immers in 1792 het gebouw verkocht aan zijn neef, graaf Karel-Josef van Lichtervelde samen met gang de meubilering. Toen onze stad echter haar aan- deel. moest betalen in de oorlogvoering der Franse republiek en tot een gedwongen lening van 7 miljoen moest overgaan, achtte graaf de Lichter- velde, die een der eerste slachtoffers zou worden om zijn aandeel in die last te moeten dragen, het veiliger, naar het voorbeeld van zovele andere edellieden, uit te wijken, wat voor gevolg had dat zijn hotel door het Magistraat werd aan- geslagen en openbaar verkocht.

Zoals het toen steeds gebeurde in die bewogen periode, ging het gebouw voor een appel en een ei van de hand en werd het voor een spotprijs aangekocht door Van den Berghe, een handelaar in wijnen, die wij later, tussen de jaren 1801 en 1307 als “adjoint au maire,” zouden terugvinden, en een architect Reyniers die, toen de graaf de Lichtervelde in 1795 − de storm was toen enigs- zins geluwd − terugkwam, de woning aan de vroegere eigenaar afstonden. Toen deze overleed waren onderhoud en lasten te zwaar voor de erfgenamen die het huis te koop moest stellen, zodat het in de handen terechtkwam van de beruchte en gehate betaalmeester van Napoleon. Cesar Maes, “le payeur” zoals hij genaamd werd, die zijn eigen beurs steeds goed wist te vullen en de Victor Hugo, in zijn brieven aan zijn vrouw, als een monsterachtig wezen laat doorgaan. Maes, schrijft hij, heeft de oude St.-Baafsabdij aangekocht en steen voor steen verkocht: “Il y avait en 1798 deux espèces de monstres: les uns tuaient les hommes, les autres tuaient les monuments, les une voulaient du sang, les autres de l’or! Ce Maes était de cette dernière espèce, la plus miséra- ble à mon gré”.

Ainsi ce misérable nous a pris à tous ce beau couvent pour se donner à lui, imbécile et inutile la maison dont je t’ai parlé”. Is Maes de schrik der bevol- king geweest, toch zal een gedeelte van het geld welke hij inzamelde onze stad ten goede zijn gekomen, want een belangrijk deel ervan besteedde hij aan het scheppen van een somptueus Empiresalon, in de benedenzaal welke de hoek vormt van de Nederpolder en de Zandberg.

Dit salon is sen waar juweeltje van Empirestijl: een rond gewelf in het plafond is met sierlijke vergulde arabesken versierd, terwijl de muren met zeldzame stof bedekt zijn. Ingewerkte spiegels tussen de vensters verheffen zich op half ronde marmeren tafels waarin, in het marmer zelf, de initialen van Maes ge- legd zijn, zoals trouwens ook boven de indrukwekkende deuren gouden letters M prijken. De tafeltjes rusten op gestileerde zwanen.
De bronzen zwanen welke de marmeren schoorsteen versieren, werden helaas gedurende de oorlog 1914-18 door de Duitsers weggenomen, wat ongetwij- feld een zware verminking van het Salon uitmaakt.
Vermelden wij ook dat naast die woonkamer een Chinees Salon wordt aange- troffen, eveneens rijkelijk opgevat, welk met zijn vreemde en exotische motie- ven in vroegere jaren een geweldige indruk op de bezoekers moest nalaten.

Na de dood van Maes, die in 1885 vermoord werd, bleef het nog een tijdlang de eigendom van diens erfgenamen; in 1842 wordt het een spijshuis, “Restau- rant G. Oldi, ex-propriétaire de l'hôtel de la Poste”, zoals wij nog lezen op de kleine vignette waarop ook het gebouw afgebeeld is; het spijshuis maakte denkelijk geen al te schitterende zaken want het jaar daarop wordt het heren- huis aangekocht door ridder de Coninck van Merkem.

Na diens overlijden in 1855 wordt het verhuurd aan de bekende zangmaat- schappij “de Melomanen” die de voor die tijd niet te onderschatten jaarlijkse huurprijs van 6.000 fr. betaalden. Zij waren het die de voormalige paardenstal- len in feestzaal omvormden, waar er tot 1872 lustig werd gezongen en gefeest. In 1872 eindelijk wordt het vroegere “Pellicaen” een laatste maal openbaar verkocht en toegewezen aan Baron Casier-de Hemptinne die het ter beschik- king stelt van de Zusters der Kindsheid Jezus, welke het tot op heden ten dage bleven betrekken, na er sedert 1892 volledig eigenaar van te zijn geworden.

Men heeft over de onlangs doorgevoerde herstellingswerken reeds heel wat gezegd en geschreven; en inderdaad in een dergelijke aangelegenheid, wan- neer men kordaat een bepaalde stijl doet verdwijnen. kan men eeuwig blijven redetwisten over het voor- en nadeel van de onderneming.

Er waren vele voorstanders van deze gevel in Lodewijk XV-stijl en menig Gentenaar, die met dit beeld en visioen als het ware was opgegroeid, zal betreuren dat een typisch Gents stadsgezicht zo plots en brutaal van aspect is veranderd.

Doch zelfs de hardnekkigste voorstanders van het status-quo moeten heden bekennen dat degenen die het aangedurfd hebben het gebouw terug te plaat- sen in zijn oorspronkelijke toestand, het geenszins verkeerd op hadden en dat het ensemble, wanneer het een zekere, onmisbare patine zal hebben verkre- gen, architecturaal en artistiek boven de Lodewijk XV gevel moet verkozen worden. Want er dient opgemerkt te worden dat het aanwenden van die stijl vooral op de binnenkoer en bij de versiering der lokalen gelukkig was uitge- vallen. De buitengevel op zich zelf was geen toonbeeld van harmonie of even- wichtige proporties en mocht in geen geval de vergelijking doorstaan met die prachtige gevels uit de XVIIIe eeuw, welke wij nog in zo groot aantal te Gent ontwaren.

Verder dient ook aangestipt dat het hier geen doodgewone en gebrekkige her- stelling gold, zoals maar al te dikwijls gebeurt, maar dat men zelden zo gewe- tensvol en met een dergelijke eerbied voor de artistieke vraagstukken te werk is gegaan. Allen die aan dit groots opzoekings- en uitvoeringswerk hun mede- werking hebben verleend, dienen hiervoor gefeliciteerd en bedankt, te worden en niet het minst Kanunnik De Keyzer, die de bezieler van gans die onderne- ming is geweest en wiens rijke kunstwetenschappen en ondervinding van allerhoogste waarde geweest zijn. Binnenkort zal aan de kant van de Zandberg - men is tegenwoordig reeds een aantal huizen aan ’t afbreken - een nieuwe vleugel worden opgetrokken, in klassieke stijl, wat nog beter de “Empire- atmosfeer” van het plein zal versterken en de plannen, die wij mochten inzien, voorspellen dat hier ook alles tot een volledig succes zal uitgroeien.

 

Sint- Jacobs

Naam van de Nederscheldekaai, aanvankelijk van de Watermolen- of Brabantbrug tot de Nieuwbrug. Enorme wijzigingen aan het straatbeeld in 1883-1884 met de uitvoering van het Zollikofer-De Vigneplan waarbij onder meer de Nederschelde overwelfd werd tot het Geeraard de Duivelsteen en het Professor Laurentplein aangelegd werd.

Een tweede fundamentele wijziging had plaats circa 1912 met de bouw van het nieuwe Bisschoppelijk Seminarie tussen de nieuw afgelijnde Winkelstraat (nadien Notarisstraat) en de huidige Seminariestraat (vroegere Lange Wijngaardstraat) waarbij talrijke kleine straatjes verdwenen (Beenhouwersstraatje, Gruisberg, Sleutelstraat) en het straatniveau aanzienlijk verhoogd.

Het voormalige klooster van de religieuzen penitenten-capucinessen, tussen de huidige Seminariestraat en de Keizer Karelstraat werd eind 18de eeuw en in de loop van de 19de eeuw herhaaldelijk verbouwd en ingericht als fabriek. Sinds 1933 ingenomen door Sint-Bavo Humaniora, samen met het prachtige 18de-eeuwse hotel.

Naast deze twee dominerende complexen blijven slechts enkele ééngezinswoningen behouden waarvan de meeste met oude kern doch vaak voorzien van een 19de-eeuws of 20ste-eeuws parement. Bovendien werd in 1960 het gedeelte van de Nederschelde tussen het Bisdomplein en de uitmonding in de Leie ook overwelfd.

 

 

De Reep vanuit de Keizer Karelstraat

De Reep vanuit Geraard Duivel Brug

Het Groot Seminarie aan de Reep heeft tal van bewoners gehad. 

Op het einde van de 19de eeuw werd een seminariegebouw aan de Gentse Biezekapelstraat onbewoonbaar verklaard. Daardoor viel in 1905 de beslissing om een groot “Nieuw Seminarie” te bouwen aan de Reep, tegenover het Geraard de Duivelsteen. Pas in 1913/1914 was het enorm complex. De eersten die het “Bisschoppelijk Seminarie” echter effectief zouden betrekken waren Duitse bezettingstroepen.

Ze doopten het om tot “Hohenzollern-Kaserne” verwijzend naar de familienaam van de Duitse keizer Wilhelm II Hohenzollern. 

Nu is het na de renovatie een Managementschool.